Fukushima: SCK CEN ter plaatse
Hoewel Fukushima aan de andere kant van de wereld ligt, werd ook ons nucleair onderzoekscentrum SCK CEN snel ingeschakeld om de situatie te beoordelen. Onze expertise werd ingeschakeld in de eerste cruciale uren én in de vele jaren die daarop volgden. Loop met ons mee door de tijdlijn van onze bijdrage.
2011: Early response
Onze bijdrage in de eerste uren en dagen na het ongeval, was drievoudig:
- Controle op besmetting: Belgische landgenoten werden gerepatrieerd. Eenmaal in Brussel geland, werden ze opgevangen in het militair hospitaal van Neder-over-heembeek. Dit gebeurde in een samenwerking van verschillende instanties zoals defensie, FANC en SCK CEN. Het SCK CEN controleerde de reizigers op uitwendige en inwendige radioactieve besmetting. Ook hun bagage werd nauwgezet doorgelicht. Er werd geen besmetting vastgesteld.
- Atmosferische modellen: Eind maart/begin april werden ook in België sporen van radioactief jodium en cesium gemeten, die bij de kernramp waren vrijgekomen. Intussen was de wolk zodanig verdund dat ze geen risico voor de volksgezondheid vormde. SCK CEN volgde de situatie op de voet door zijn atmosferische modellen in te zetten.
- Marien onderzoek: SCK CEN werd onmiddellijk benaderd door het Veiligheidscomité van de Verenigde Naties inzake de gevolgen van atoomstraling (UNSCEAR) om met zijn expertise inzicht te verschaffen in de gevolgen van de straling voor het zeeleven als na het ongeval. We hebben een radiologische effectbeoordeling uitgevoerd van de lozingen in het zeewater als gevolg van het ongeval, waarbij we de overdracht en de stralingsdoses naar populaties van mariene dieren hebben gemodelleerd. Dit heeft sinds 2011 geleid tot een voortdurende inspanning om het onderzoek te verbeteren naarmate er meer gegevens beschikbaar kwamen, wat tot nu to geleid heeft tot 15 wetenschappelijke publicaties.
- Adviesrol aan importeurs: Bedrijven die uit Japan importeerden, vroegen massaal om advies. SCK CEN leverde heldere informatie, duidelijke richtlijnen en praktische opleidingen om contaminatie correct te controleren.
Fukushima gaf rechtstreeks aanleiding tot meerdere Europese projecten om atmosferische modellen te verfijnen. De aandacht ging hierbijonder andere naar depositieparameters. Hoe komen radionucliden op het aardoppervlak terecht onder droge en natte weersomstandigheden? Depositie vormt de overgang naar biosfeer en dus voedselketen. Die inzichten verbeteren de noodplanning.
2011 - heden: Journalistieke duiding
Toen de eerste berichten van de kernramp in Fukushima binnenstroomden, werd SCK CEN overspoeld met vragen. Wat was er precies gebeurd? Wat heeft de explosies in units 1, 2 en 3 veroorzaakt? Welke stralingswaarden werden ter plaatse gemeten en wat betekenen die voor de volksgezondheid in Japan en daarbuiten? Met wetenschappelijke duiding hielpen we media de situatie correct te kaderen in een context, die uur na uur evolueert. Doorheen de jaren gaven we diverse persinterviews over de situatie in Fukushima, met name over de gecontroleerde lozing van verontreinigd water in de oceaan. Onlangs hebben we een bijdrage geleverd aan een uitgebreid artikel over het water uit Fukushima in het wetenschappelijke tijdschrift EOS.
NNaaaarr EEOOSS -- HHooee ggeevvaaaarrlliijjkk iiss FFuukkuusshhiimmaa wwaatteerr??
2012-2016: Bodemonderzoek
De ondergrond in Japan verschilt met deze in België. Japan ligt in een vulkanisch gebied en heeft dus een typische ‘andosol’-bodem: een donkere, vulkanische bodem opgebouwd uit as, tuf en puimsteen. Een andere bodemsamenstelling kan betekenen dat radionucliden, waaronder cesium, zich anders zullen verplaatsen en binden dan in zand-, leem- of kleibodems zoals we die bij ons kennen. In de periode van 2012 tot 2016 nam SCK CEN het gedrag onder de loep. We namen besmette bodemstalen ter plaatse en lieten in onze laboratoria daarop rijstplanten groeien. Uit dat onderzoek bleek dat de hoeveelheid cesium die aan de bodem (kleideeltjes) blijft plakken in een Japanse bodem aanmerkelijk lager is dan in een Europese bodem. Met andere woorden het cesium in Japanse bodems zal gemakkelijker opgenomen worden door de vegetatie die erop groeit. Deze ‘bodem-plant transfer’ cijfers vormen de basis van modellen om de uiteindelijke impact op mens en milieu te berekenen. Het onderzoekswerk heeft aanbevelingen kunnen formuleren hoe de parameters van de modellen scherper gesteld kunnen worden zodat ze de andere eigenschappen typisch voor Japanse andosol-bodems mee in rekening brengt.
2016-2019-2022 – Dennenbomen
Driemaal reisden SCK CEN onderzoekers naar Japan om stalen van dennenbomen te verzamelen. Eerder onderzoek in Tsjernobyl leerde ons immers dat deze bomen even stralingsgevoelig zijn als mensen, en dus meer stralingsgevoelig dan andere vegetatie. Hetzelfde effect zagen we ook in Fukushima, waar de dosissen veel lager waren. Doel was om de onderliggende mechanismen achter die kwetsbaarheid te ontrafelen. Die kennis is essentieel om bij sitesanering snel de meest kwetsbare plantensoorten te herkennen. En indien diezelfde mechanismen ook bij de mens gelden, kunnen ze nieuwe inzichten voor kankerbehandelingen bieden. Dit is een lopend onderzoek, de code achter de stralingsgevoeligheid van dennenbomen is nog niet gekraakt maar er zijn al wel enkele tipjes van de sluier opgelicht.
2019-2023: Beslissingsboom bij cesiumcontaminatie
Japan zette na de ramp sterk in op sanering. Dat riep volgende vraag op: kunnen we een onderbouwde beslissingsboom ontwikkelen die ons begeleidt om de besluitvorming bij een nucleair ongeval en dus cesiumcontaminatie te sturen? Kan er best gesaneerd worden? En zo ja, waar, hoe en wanneer? Doel is om de cesiumcontaminatie zoveel mogelijk te verwijderen en tegelijk de socio-economische impact te beperken. Dit onderzoek kaderde in een Coordinated Research Programme (CRP) van het IAEA.
2020 - 2024: Mariene modellering
Japan is een land dat voornamelijk van de visvangst leeft. Met de radioactiviteit die zich na de kernramp vooral in de zee heeft neergezet, leefde de bezorgdheid dat de vis niet meer eetbaar zou zijn. Hoeveel van de vrijgekomen radioactiviteit komt in de voedselketen terecht? Neemt een vis die graag in sediment vertoeft, meer radioactiviteit op dan andere vissen? …
Om deze risico’s in kaart te brengen, speelde SCK CEN een leidende rol bij de eerste internationale beoordeling van de stralingsgevolgen voor het mariene milieu. Onze deskundigen leverden een bijdrage aan het Wetenschappelijk Comité van de Verenigde Naties voor de effecten van atoomstraling (UNSCEAR), waarbij ze gebruik maakten van een van de eerste dynamische modellen (D DAT) waarmee de blootstelling van zeedieren aan straling onder snel veranderende omstandigheden na een ongeval kon worden geëvalueerd. Dit onderzoek is gebruikt voor officiële rapportages en is sindsdien meerdere malen bijgewerkt.
Tegelijkertijd hebben we ons eigen mariene onderzoeksprogramma opgezet. In de loop der jaren hebben we het D-DAT-model verder verfijnd om beter inzicht te krijgen in hoe radioactiviteit zich verspreidt door zeewater, sedimenten en mariene soorten, met als doel de langetermijnvoorspellingen na een ongeval te verbeteren. Ons werk heeft geleid tot talrijke wetenschappelijke publicaties, zoals een overzicht van de gevolgen van lozingen in zee en twee daaropvolgende updates – vijf en tien jaar later – in onder meer het tijdschrift *Integrated Environmental Assessment and Management*.
LLeeeess hheett oovveerrzziicchhtt nnaa 1100 jjaaaarr hhiieerr
SCK CEN was steeds bij de eersten om te reageren op nieuwe vraagstukken rond Fukushima. In 2022 hebben we een van de eerste beoordelingen opgesteld van de verwachte milieueffecten van de lozing van water dat is gezuiverd met het Advanced Liquid Processing System (ALPS), op basis van de meest recente Japanse meetgegevens. In een later stadium behoorden wij tot de deskundigen die ter plaatse zijn gegaan om watermonsters te nemen en te analyseren, zoals u in het volgende hoofdstuk kunt lezen.
"Door vanaf dag één de gevolgen voor het mariene milieu van Fukushima in modellen weer te geven, hebben we bijgedragen aan meer duidelijkheid in een complexe situatie en wereldwijd een weloverwogen besluitvorming ondersteund.” — Jordi Vives i Batlle, expert radioecologie
En hoe zit het nu met die vissen? Eén van onze studies toonde aan dat een Japanner jaarlijks maar liefst 2.500 kg vis, 170 kg schaaldieren en 230 kg weekdieren zou moeten eten om evenveel stralingsdosis op te lopen als de natuurlijke achtergrondstraling (2.1 mSv y-1). Dat is echter 120 keer meer dan de jaarlijkse consumptie en dus geen reëel gevaar.
Wist je dat … datzelfde model recent dienstdeed om de impact van een toenemende inzet van radiofarmaca op ons ecosysteem te voorspellen?
2025 – Analyse van gezuiverd zeewater
In augustus 2023 begon TEPCO met het lozen van besmet water uit de Fukushima Daiichi-centrale in de Stille Oceaan. Het water werd behandeld met het ALPS procede dat hierboven is vermeld. De lozingen gebeurden met groen licht van het IAEA. Om te garanderen dat de internationale veiligheidsnormen worden nageleefd, besloten het IAEA en de Japanse overheid extra controles in te voeren en het behandelde water te analyseren. In kader daarvan organiseerde IAEA een (vierde) internationale missie naar Fukushima Daiichi. Daaraan werkten ook SCK CEN mee. De opdracht werd intern verdeeld tussen twee gespecialiseerde groepen: ISR (Impact & Site Remediation) nam de bemonstering ter plaatse voor zijn rekening, terwijl LRM (Low-level Radioactivity Measurements) de waterstalen in België analyseerde.
Lees meer over ...
-
Fukushima: het ongeval
-
Fukushima: vandaag
-
Geleerde lessen uit Fukushima