Overslaan en naar de inhoud gaan

40 jaar na Tsjernobyl – hoe we meten en wat we weten

Bij SCK CEN zijn we gespecialiseerd in het meten van radioactiviteit. Daarnaast beschikken we over experten die de impact van stralingsdoses op mens en milieu kunnen onderzoeken en berekenen. Al decennialang houden we zo een nauwgezet en langdurig toezicht.

De radioactieve wolk die destijds over Europa trok, bevatte radionucliden die tot op vandaag meetbaar zijn. Onze specialisten analyseerden zowel toen als nu de hoeveelheden en de precieze impact van deze radioactiviteit. Daarnaast trokken we meerdere keren naar de regio rond de ontplofte kernreactor om veldcampagnes uit te voeren.

Tsjernobyl meting
Tsjernobyl - distributie Cs en I in 1986

Metingen in 1986

Ten tijde van het ongeval voerde SCK CEN staalnamecampagnes uit. Op deze grondstalen werden de radionucliden cesium‑134, cesium‑137 en jodium‑131 gemeten. De radioactiviteit aan de oppervlakte varieerde tussen 2,4 en 13 kBq per vierkante meter, een direct gevolg van het al dan niet vallen van neerslag. (Ter vergelijking: de hoeveelheid natuurlijke radioactiviteit in een menselijk lichaam bedraagt gemiddeld ongeveer 8 kBq.) Neerslag speelde een belangrijke rol omdat die kan leiden tot een verhoogde afzetting van radioactieve deeltjes op de bodem. Op grotere afstanden spelen vooral aerosolen in wolken een rol: kleine deeltjes zoals stof, rook of zeezout waarrond regendruppels zich vormen en waaraan radioactieve stoffen kunnen vastzitten. De metingen die we uitvoerden, dienden als nulpunt om latere metingen in België correct te kunnen interpreteren.

Verder hebben we ook de cesium‑ en jodiumconcentraties gemeten in lucht, gras, bladgroenten, melk en vlees. Dat doen we trouwens nog steeds. De totale extra dosis als gevolg van Tsjernobyl was in België gelukkig erg laag: gedurende het eerste jaar na het ongeval ging het voor volwassenen om 0,03 tot 0,1 mSv. Door andere eetgewoonten en een grotere gevoeligheid voor straling kon de blootstelling voor jonge kinderen in het eerste jaar na het ongeval oplopen tot maximaal 0,3 mSv. Ter vergelijking: de officiële dosislimiet voor het algemene publiek – zoals vastgelegd door het FANC – bedraagt 1 mSv per jaar, meer dan drie keer zoveel.

De stralingsblootstelling in ons land als gevolg van het ongeval was zeer laag in vergelijking met de gemiddelde jaarlijkse stralingsdosis van ongeveer 4,3 mSv per Belg (FANC), die naast natuurlijke achtergrondstraling ook medische en in beperkte mate industriële blootstellingen omvat. Er werden dan ook geen epidemiologisch aanwijsbare gevolgen geobserveerd, dat wil zeggen dat het aantal kankers en geboortedefecten niet gestegen zijn als gevolg van Tsjernobyl. Andere gezondheidseffecten zoals schildklier problemen, beenmergonderdrukking of verminderde vruchtbaarheid komen voor bij hogere dosissen, die in België nooit bereikt zijn.

Op de figuur staat de distributie weergegeven van de oppervlakte besmetting door Cesium-134, Cesium-137 en Iodium-131 zoals door ons gemeten in 1986. 

SCK CEN’s expertise in dosimetrie

In deze context hebben we het vaak over stralingsdoses en hoe die kunnen worden gelinkt aan mogelijke gezondheidsrisico’s. Maar hoe wordt zo’n dosis precies gemeten en berekend? Dat gebeurt via dosimetrie.

SCK CEN beschikt over decennialange expertise op dit vlak. We meten en analyseren opgelopen stralingsdoses met behulp van de nieuwste meet‑ en analysetechnologieën. Dosimetrie is bovendien één van de diensten die we aanbieden aan verschillende sectoren, zoals de industrie en de gezondheidszorg, waar medewerkers professioneel aan straling kunnen worden blootgesteld.

Hoe meten en berekenen we stralingsdoses in de praktijk? Lees meer over onze expertise en diensten rond dosimetrie.

MMeeeerr  iinnffoorrmmaattiiee

Hoe meten we nu?

Sinds 1986 zijn radiologische meetmethoden sterk geëvolueerd. Vandaag gebeuren ze binnen een goed uitgewerkt kader, onder meer via CELMES (Centrale metingen en staalnames), de meetcel van het federale nucleaire noodplan. CELMES zorgt voor een gecoördineerde aanpak van radiologische metingen bij nucleaire of radiologische incidenten, en SCK CEN levert hierin een belangrijke inhoudelijke en operationele bijdrage.

Binnen CELMES zijn vandaag verschillende meetmogelijkheden voorzien:

  • Een permanent netwerk van automatische meetstations dat continu het gammastralingsniveau in België opvolgt en snel afwijkingen detecteert. SCK CEN ondersteunt TELERAD met wetenschappelijke expertise, onder meer door meetgegevens te interpreteren, de kwaliteit van metingen te bewaken en bij te dragen aan meet‑ en noodstrategieën binnen het federale nucleaire noodplan.

  • Deze teams voeren ter plaatse directe metingen uit en nemen stalen. SCK CEN stelt twee mobiele meetteams ter beschikking en is samen met IRE lokaal coördinator van de Belgische meetteams. Daarbij maken we gebruik van digitale platformen zoals ArcGIS Online (AGOL) om meetteams aan te sturen en meetresultaten te ontvangen, te valideren en te visualiseren.

  • SCK CEN voert zowel aerial gamma spectroscopie met helikopters als dronemetingen uit. Vooral drones zijn intussen een vaste waarde: sinds 2015 bouwen we bij SCK CEN gerichte expertise op om snel, veilig en zeer nauwkeurig stralingsmetingen vanuit de lucht uit te voeren, ook op moeilijk toegankelijke locaties. 

    Ontdek hoe drones onmisbaar zijn voor stralingsmetingen.

  • In onze laboratoria analyseren we een brede waaier aan stalen, zoals lucht, bodem, gras, water en voedingsproducten, met behulp van state‑of‑the‑art meetapparatuur. SCK CEN is daarbij gespecialiseerd in lageradioactiviteitsmetingen, essentieel om zelfs zeer lage concentraties betrouwbaar te detecteren. 

    Ontdek hier onze expertise in lageradioactiviteitsmetingen.

Lessen uit Tsjernobyl, toegepast vandaag

De kernramp in Tsjernobyl maakte pijnlijk duidelijk hoe belangrijk het is om straling niet alleen te meten, maar ook correct te begrijpen en te voorspellen. Diezelfde les zit vandaag vervat in RADAR, een 3D‑tool van SCK CEN die meetgegevens omzet in simulaties en dosisberekeningen. Zo kunnen we risico’s beter inschatten en werkzaamheden veiliger plannen, volgens het ALARA‑principe. Het ALARA‑principe (As Low As Reasonably Achievable) houdt in dat blootstelling aan ioniserende straling altijd zo laag mogelijk wordt gehouden, rekening houdend met wat technisch en economisch haalbaar is.

OOnnttddeekk  hhooee  RRAADDAARR  hheellpptt  oomm  ssttrraalliinnggssrriissiiccoo’’ss  ttee  vvoooorrssppeelllleenn  eenn  ttee  bbeeppeerrkkeenn

Meten en modelleren: een wisselwerking

Naast meten speelt ook modellering een cruciale rol. Modelresultaten worden gebruikt om de meetstrategie te sturen: ze helpen bepalen waar, wanneer en wat er het best gemeten wordt. Omgekeerd gebruiken we meetresultaten om modellen te verifiëren en bij te sturen, onder meer via technieken zoals inverse modellering. Door die continue wisselwerking tussen meten en modelleren krijgen we een steeds nauwkeuriger beeld van de verspreiding en impact van radioactiviteit op bevolking en ecosystemen.

Europese uitwisseling van stralingsmetingen

Na de ramp in Tsjernobyl werd duidelijk dat Europa nood had aan een systeem voor snelle en gecoördineerde uitwisseling van radiologische informatie. Daarom voerde EURATOM een council decision in, die lidstaten verplicht om bij ernstige nucleaire of radiologische incidenten tijdig informatie te delen.

Die samenwerking steunt op twee platformen: ECURIE, het 24/7 alarmsysteem voor dringende meldingen, en EURDEP, het Europese platform voor bijna real‑time uitwisseling van radiologische meetgegevens tussen 39 landen. Via EURDEP delen nationale meetnetwerken continu hun data. In noodsituaties gebeurt dat minstens elk uur. De gegevens worden samengebracht in publieke kaarten met gammastralingsmetingen van ongeveer 5000 meetstations in Europa, tot 35 dagen terug in de tijd.

CCoouunncciill  DDeecciissiioonn  ““8877//660000//EEuurraattoomm""

Veldcampagnes

Veertig jaar na de kernramp in Tsjernobyl blijft de getroffen regio een unieke, maar confronterende getuige van de langetermijneffecten van radioactieve besmetting. Voor SCK CEN is de inperkingszone al decennialang een belangrijk onderzoeksgebied. Via veldcampagnes, laboratoriumonderzoek en modellering leverden - en leveren - onze onderzoekers cruciale inzichten voor de bescherming van mens en milieu.

Onze collega’s van Biosfeer Impact Studies gingen meerdere keren ter plaatse voor veldcampagnes. In dit fragment vertelt Nele Horemans hoe dat precies ging. 

Beelden: Studenten batac multicamera Thomas More

SCK CEN snel ter plaatse: de eerste veldcampagnes (jaren ’90)

SCK CEN was al kort na het accident actief in de inperkingszone rond Tsjernobyl. In het begin van de jaren ’90 werden meerdere veldcampagnes opgezet met drie duidelijke doelstellingen:

  • Het in kaart brengen van de radioactieve vervuiling in bodem en omgeving
  • Het opbouwen van kennis over het gedrag van cesium‑137 (Cs‑137) en strontium‑90 (Sr‑90) in bodem en voedselketens
  • Het verzamelen van data om de blootstelling van de mens beter te kunnen inschatten

De metingen en staalnames uit deze periode, aangevuld met gerichte experimenten op een inmiddels ontmantelde boerderij van SCK CEN in Mol, vormden later de wetenschappelijke basis voor het door FANC erkende biosfeermodel. Dat model wordt vandaag nog steeds gebruikt voor impactberekeningen van de stralingsblootstelling van de mens voor bestaande en nieuwe nucleaire installaties.

Daarnaast onderzochten onderzoekers van SCK CEN ook alternatieve saneringsopties voor gecontamineerd hout, onder meer in het sterk besmette Rode Woud. Deze vroege campagnes tonen hoe SCK CEN al van bij het begin meten, experimenteren en modelleren combineerde om complexe milieuvraagstukken aan te pakken.

Nieuwe vragen, nieuwe inzichten: COMET‑veldcampagnes (2016)

In 2016 organiseerden we nieuwe veldcampagnes in het kader van het Europese COMET‑project, dat SCK CEN coördineerde. COMET had als doel om de wetenschappelijke basis van radio‑ecologie te versterken door veldmetingen, labo‑experimenten en modellering beter op elkaar af te stemmen en zo onzekerheden in risico‑inschattingen voor mens en milieu te verkleinen.

Binnen COMET werd bewust gekozen voor een vergelijkende aanpak. Daarom liepen de veldcampagnes in Tsjernobyl parallel met gelijkaardig onderzoek in Fukushima, waar sinds de kernramp van 2011 eveneens sprake is van langdurige, chronische blootstelling van organismen aan verhoogde stralingsniveaus. Door data uit twee verschillende, maar sterk gecontamineerde omgevingen te combineren, konden onderzoekers nagaan welke effecten algemeen gelden bij chronische blootstelling, en welke eerder context‑ of ecosysteemafhankelijk zijn. 

In Tsjernobyl werden stalen genomen van bodem, planten en dieren, waaronder regenwormen en kikkers. Deze stalen dienden zowel voor de analyse van langlevende radionucliden (zoals Cs‑137, Sr‑90, plutoniumisotopen en Am‑241) als voor biologische analyses naar mogelijke effecten over meerdere generaties. Parallel werden binnen COMET gerichte labo‑experimenten uitgevoerd, zodat veld‑ en laboresultaten elkaar wederzijds konden versterken en verklaren. 

De gecombineerde resultaten van de veldcampagnes in Tsjernobyl en Fukushima werden gebundeld in deze peer‑review wetenschappelijke publicatie.

De gegevens uit het COMET‑project hielpen om bestaande modellen beter te maken en zo de langetermijneffecten van straling op het leefmilieu nauwkeuriger in te schatten. De resultaten lieten duidelijk zien dat langdurige (chronische) blootstelling andere effecten heeft dan korte, hoge (acute) blootstelling, en dat dit verschil belangrijk is voor een juiste risico‑inschatting.

Daarnaast maakten de data het mogelijk om beter te bepalen hoeveel straling organismen effectief opnemen en om milieumodellen verder te verbeteren. Zo werd bevestigd dat de effecten van chronische blootstelling apart bekeken moeten worden bij het beoordelen van stralingseffecten op ecosystemen.

Bekijk het COMET-eindrapport hier.

Samen met internationale partners, zoals UK‑CEH, ontwikkelde SCK CEN een populatiemodel voor knaagdieren in het Rode Woud. Dat model laat toe om effecten van straling van individuele dieren door te trekken naar volledige populaties, op basis van realistische veldgegevens. 

Je vindt de paper hier.

In de bossen rond Tsjernobyl, midden in de vervreemdingszone, is er geen sprake van een dor, post-apocalyptisch landschap. Integendeel, de natuur tiert er welig, het is één van de meest biodiverse plekken op het Europese vasteland. Bizons, herten, wolven en lynxen regeren over het gebied, waar nu al 40 jaar geen menselijke activiteit is. Nele Horemans vertelt.

Beelden: Studenten batac multicamera Thomas More

Een impressie van onze veldcampagne in het kader van COMET.

Beelden: persoonlijk archief Nele Horemans

Gaan we opnieuw terug?

De inperkingszone rond Tsjernobyl blijft één van de meest radioactief gecontamineerde gebieden ter wereld en is daardoor wetenschappelijk bijzonder waardevol als een soort buitenlaboratorium voor langetermijnonderzoek.

Er waren concrete plannen om opnieuw veldcampagnes uit te voeren binnen het Europese CHRONIC‑ITN‑project. Door de oorlog in Oekraïne sinds februari 2022 bleek dat echter onmogelijk. Kort na het begin van de oorlog werd de inperkingszone tijdelijk bezet door Russische troepen, en ook vandaag blijft toegang moeilijk, onder meer door de aanwezigheid van landmijnen. Via het Europese stralingsbeschermingsplatform ALLIANCE zijn gesprekken gevoerd om de samenwerking met Oekraïense onderzoekers opnieuw op te starten, maar veldwerk ter plaatse is voorlopig niet haalbaar.

Voor SCK CEN werd het CHRONIC‑project uiteindelijk succesvol afgerond op basis van alternatieve data en testen. Intussen bekijken we nieuwe mogelijkheden voor toekomstige veldcampagnes in de hoop dat er op termijn opnieuw vrede en stabiliteit komt in de regio.

MMeeeerr  oovveerr  CCHHRROONNIICC--IITTNN

Lees meer over...

Deel deze pagina