Kernsplijting

Atoom

Elke stof bestaat uit miljoenen en miljoenen kleine deeltjes die men atomen noemt. Een atoom heeft een kern van protonen en neutronen (hier de blauwe en rode bolletjes). Deze deeltjes zijn gebonden door de sterke kernkracht. Dit kan men vergelijken met een heel sterke veer. Het kost veel energie om ze uit elkaar te halen. Rond de kern vliegen nog andere deeltjes, de elektronen.

Alle atomen van een chemisch element (bijvoorbeeld ijzer, zuurstof, uranium, plutonium) hebben dezelfde chemische eigenschappen. Echter, atomen kunnen verschillen in hun massa. De atomen van eenzelfde chemisch element met verschillende massa worden isotopen genoemd.
Deze isotopen hebben verschillende fysische eigenschappen. Zo kan het uraniumisotoop met massagetal 235 wel gesplitst worden door een langzaam neutron, terwijl het uraniumisotoop met massagetal 238 niet op die manier gesplitst kan worden.

Bij kernsplijting spat een uraniumatoom in stukken uit elkaar nadat het een neutron heeft geabsorbeerd. Tijdens het uit elkaar vallen van de kern komt heel veel warmte (energie) vrij. Dit komt doordat de kerndeeltjes (protonen en neutronen) in de nieuw gevormde kleinere atomen, sterker gebonden zijn dan in de uraniumatomen. De hogere bindingsenergie komt vrij in de vorm van warmte en straling. Dit noemt men kernenergie.

Als de kern uit elkaar valt, ontstaan er twee nieuwe kernen en twee of drie losse neutronen. De losse neutronen vliegen in het rond en kunnen zelf weer uraniumatomen splijten. Dat noemt men een kettingreactie.

Kernsplijting